Uitgelezen

Oksana: een recensie in quotes

OKSANA

Een ballet

Zo begint het boek van Donald Niedekker. Lena groeit op in de schaduw van de kerncentrale van Tsjernobil. De noodlottige ramp in april 1986 rukt haar ouders uit het leven. De traag op gang komende evacuatie dumpt haar met een klein koffertje bezittingen in het primitieve hutje van haar grootmoeder, waar ze verder opgroeit.

Toen mijn leven begon was het al voorbij. De autobussen kwamen als lugubere voermannen van een zwarte, oververhit geraakte lente. We waren vijf, zes, acht en ons leven was getekend door die ene dag en zijn woekerende nasleep.

(…)

Screenshot 2016-05-02 11.21.40

Lena en grootmoeder zorgen voor elkaar. Grootmoeder blijft brieven schrijven om Lena’s alimentatie als slachtoffer van de ramp te verkrijgen. Ze hebben weinig.

Ik was kleren. Voor alles heeft de rivier haar eigen plek. Ik pies ver stroomafwaarts bij de grote wilg. Kleren was ik dichter bij het dorp en de vaat doe ik op de steiger. Maar water haal ik uit de put.

Grootmoeder ziet een toekomst voor Lena en loodst haar binnen bij de opleiding van het staatsballet. Het lichaam en de geest van Lena leren klappen incasseren.

Dansen begint met vallen. Ik viel om de haverklap.

(…)

‘Verlies je evenwicht!’ zei Zoja Iljinisjna voortdurend als we ons inhielden. ‘Ga verder… Verder… Je kunt nog verder.’

Tot het op een dag misgaat…

Ik viel en ik stond op.
En ik danste.
En ik viel en ik stond op.
En ik danste.
‘En verder…’
Ik viel en ik stond niet op.
Zo was het.
Ik viel en ik stond niet op.

(…)
Ik viel niet, ik zwikte, door mijn enkel, dacht ik, maar het was mijn knie.

Lena’s toekomstperspectieven versplinteren, samen met haar knieschijf. Tijdens haar herstel wordt de jonge vrouw aangesproken door Zinaïda, die haar aanspoort met haar mee te gaan naar Italië om er een zomer lang te werken in een restaurant. Illegaal.

We waren een kiezelstrand opgevaren. De boot maakte rechtsomkeert.

Wij, veertien vrouwen, klauterden als soepel gelede schorpioenen over rotsen en toen we aarde onder onze voeten hadden knalden lampen aan. Een muur van licht. We waren recht in een fuik gelopen.

(…)

We werden politieauto’s in gedreven, mak als lammetjes, ieder overgeleverd aan de eigen bange vermoedens.

(…)

De politieauto’s reden over aardedonkere wegen die klommen en daalden. De agenten sloten ons op in de villa met sofa’s, tapijt, marmeren gangen, beschilderd behang en kroonluchters en deden met ons wat u bij Hosea kunt nalezen.

Lena belandt, samen met een groep vrouwen, in de sekshandel in Albanië.

Het waren meisjes uit Rusland, Oekraïne, Servië, ook een uit Roemenië. Ze waren onder valse voorwendselen, belofte van werk over de grens, geronseld. Oksana, prutsend met een veger, keek me vanaf de andere kant van de salon aan en ik zag aan haar grote blauwgroene ogen dat ook zij inmiddels wist in welke hel we waren beland, niet voor één avondje met corrupte agenten, maar voor de komende maanden, misschien wel jaren.

Na jaren uitbuiting, mishandeling en afstomping wordt Lena met een groepje van zes andere meisjes die ‘you too old’ bevonden worden, op een strand in Italië gedumpt. Lena vlucht naar Duitsland en duikt er onder in de Unheimlichkeit.

Duizenden, honderdduizenden, miljoenen, talloze miljoenen migranten, ballingen, avonturiers, vluchtelingen, snel geïmponeerde plattelanders, boerenzonen zijn op een dag in een vreemde stad aangekomen. Met niets op zak, misschien een telefoonnummer van een contactpersoon, een dorpeling die eerder is vertrokken, met een homp brood en worst van thuis in een ransel. Ze moeten zien te overle-ven, zich een plek veroveren, een netwerk opbouwen.

Lena prikt zichzelf op borden in supermarkten, postkantoren en stations. Ze heeft acht adressen waar ze schoonmaakt en een tuinhuis om in te wonen. Tot ze bericht krijgt uit Oekraïne:

De brief was geschreven door een vrouw die zich bekendmaakte als Marja Vasiljevna Jakova. Ze was directrice van een bejaardenhuis in een stadje niet ver van het dorp van grootmoeder. Een jaar geleden, schreef ze, was het dorp zonder perspectief ontruimd.

Wat van grootmoeder overblijft is Lena: een dikke envelop met programmaboekjes van balletten, kleuterdiploma’s en een uitkeringsbewijs. Ze stapt op een trein en wordt er even later weer uit geplukt.

Ik verwachtte een rechtszaak, een schadeclaim, valse aantijgingen misschien, een celstraf. Ik kreeg, na een nacht in een politiecel in een hectisch, ongenadig wit verlicht bureau (…) – een enkeltje Kiev. Tot de Poolse grens onder begeleiding van twee agenten. Ze stapten in Frankfurt an der Oder uit.

Ik ben in Warschau uitgestapt.

Lena danst. In een nachtclub. Met het plan om haar aanklacht tegen vrouwenhandel om te zetten in een ballet.

Mijn artiestennaam is Sheila.
Treurig eigenlijk.
(…)

Sheila.
Ik hoor de aankondiging, kom op, kronkel om de paal, knoop na veel vijven en zessen mijn beha los, kronkel verder, hang op mijn kop, spreid mijn benen, speel wat met de bandjes van mijn slip, blaas een kus de bar in en ga af.

Ze krijgt de openingsact op de prestigieuze erotiekbeurs in Berlijn.

Ik kom op.
Nog kan ik twee kanten op.
De muziek, het licht, zeshonderd paar ogen, Teddy dwingen me naar de Sheila Alexandrova Show.
Grootmoeder, de man die me naar mama in Moskou bracht, Oksana, Jan, Sabine, Teddy (die andere met meer ambities) bewegen me naar mijn hommage aan de slachtoffers van de vrouwenhandel.

Niedekker suggereert als de beste. De door elkaar gehaspelde puzzel van flash backs en flash forward creëert een opmerkelijke verhaallijn. Hij vertelt, een beetje, en geeft de lezer een aanzet om het verhaal zelf verder te construeren. Het is speuren naar wat niet verteld wordt, bladzijde na bladzijde. Een klasbak, deze roman.

Het voorjaar bracht geen leven maar de dood.

Een snelle dood en een dood die zich over decennia zal uitsmeren.

Het werd lente.
Dit zal geen sprookje zijn.

Oksana, Donald Niedekker, Uitgeverij Koppernik.