Column

De mooiste zin

Bij This Is How We Read zijn we liefhebbers van mooie zinnen. Je weet dat dat waar is als je ‘De Eerste Zin’, onze scheurkalender met boekentips, aan je muur hebt hangen. Minder dan een jaar geleden gaven we zelfs een feestje voor de allermooiste openingszin ooit. Ook tijdens het jureren van onze columnwedstrijd 2025 stond onze schoonheidsradar op scherp. Geniet van onze bloemlezing ‘mooiste zinnen’ uit de 21 columns op de longlist.

Deze zomer kon je de negen genomineerde columns al op onze website lezen. Op 23 oktober maken we tijdens een feestelijke prijsuitreiking in Barboek in M (Leuven) de winnaar van de wedstrijd bekend. Bij het doornemen van de 116 ingestuurde columns waren er echter veel meer zinnen die ons prikkelden en opvielen. Welke zin uit de teksten op de longlist betovert jou? (Geef het gerust mee in de comments…)

Uit ‘Heldendaad’ door Ariane De Vroede:

“Extra moeite doen om drie minuten niet alleen te hoeven zijn met je gedachten vind ik triest.”

Uit ‘Een blij appje’ door Astrid Kraal:

“Blijkbaar is het een diep menselijke behoefte je zorgen over een knobbeltje, een vlekje of onverklaarbare vermoeidheid te delen met iemand die kanker heeft.”

Uit ‘Badkamerblues’ door Carolien Dircken:

“Zodra de badkamerverkoper ons de offerte presenteerde, doorliepen wij, de nutteloos-geschoolden, spontaan vele fases die je meestal ziet bij rouw. Eerst ontkenning. De man had na al dat onnavolgbare rammen op de rekenmachine per ongeluk vijftienduizend euro te veel gerekend. Kon niet anders.”

Uit ‘Kutsituatie’ door Charlotte De Cooman:

“Daar stond ik dan te wachten op het moment dat iemand in mijn baarmoeder zou kruipen.”

Uit ‘Behulpzaamheid’ door Herman Koppelman:

“Dan passeert een open sportwagen. Naast de bestuurder zit een hond (…)

Kan het gezicht van een hond verbijstering uitdrukken? En als dat al zo is, waarom zou ik mij daar iets van aantrekken?”

Uit ‘Leugentjes om bestwil’ door Hilde Heppe

“Het gros van mijn leugentjes vertelde ik tegen mijn moeder: ‘Sorry, ik was de tijd uit het oog verloren,’ na mijn eerste avondje uit. ‘Natuurlijk heb ik nog nooit een jointje gerookt.’ (…) Zij deed het ook: ‘Pas op hoor, Sinterklaas ziet alles!’ ‘Geen idee waar je oude teddybeer gebleven is…’ En: ‘Die tekening bewaar ik op een heel speciaal plekje.'”

(Noot van de redactie: die zin, die leugen, ‘die tekening bewaar ik op een heel speciaal plekje’. Dat resonneerde sterk bij TIHWR-redactrice Barbara die zich een goede moeder vindt, maar ook een belabberde Curator Kleutercollectie)

Uit ‘Zestig’ van Hilde Hoefnagels:

“Er wordt gezegd dat we vanaf zestig onzichtbaar worden. Laat dat nu precies zijn wat ons volledig vrij maakt.”

Uit ‘Breakup’ door Ilse van der Stoep:

“Vroegâh, zo’n 15 jaar geleden, waren slechte heterorelaties nog lekker overzichtelijk. Zij was een zeikwijf en hij was een lompe hork die vreemdging, zoop of allebei. Gingen man en vrouw uit elkaar, dan werd er ouderwets met servies gesmeten.”

Uit ‘Zonder genade’ door Jose Andres Melendes Ascheri:


“De dertienjarigen zijn altijd de prooi. Zij betalen voor de zonden van anderen, voor de frustraties van de ouderen, voor de wreedheid die zich vermomt als discipline.”

Uit ‘Woorden wegen weinig’ door Jurgen Nakielski:


“Van alles wat jij bent, is niet hier het moeilijkst.”

Eén mooie zin is soms een vergezicht op een heel verhaal

Uit ‘Beter een verre vriend’ door Kris Callaert:

“Onkruid in je plantsoen is een smet op je blazoen. Mijn plantsoen ligt er gemeenlijk bij alsof er twee minuten geleden een leger tanks is overgereden en enkele gesneuvelde soldaten in de loopgrachten zijn blijven liggen.”

Uit ‘Leestekens’ van Lene Hardy:

“Op een dag begon Simon ineens zonder leestekens te spreken. Ik zat op een terras toen het gebeurde.”

Uit ‘Zichtbaar ouder’ van Lies Steurs:

“… die ene hippie-ouder, met zijn bakfiets. Wat dacht die wel, dat hij met zijn boot van een fiets het halve jaagpad mocht inpalmen?”

Uit ‘Pleidooi voor de slanke vrouw’ van Liese Van Severen:

“Ja, ik eet genoeg en nee, ik spendeer niet stiekem 500 uren in de fitness om dan te doen alsof Moeder Natuur mij zo heeft gemaakt. Misschien moet ik een foto in mijn portefeuille meedragen van mijn moeder en oma, als een bewijs van legitimatie?”

Uit ‘Theezakjestherapie’ van Mariska Kop:

“Daar zit je dan. Maandagochtend, 11u13. In een badjas met onverklaarbare vlekken van de vorige avond (hummus? hoestsiroop? wie zal het zeggen), haren volledig in de war, en dan ineens zo’n theezakje dat het bizarre lef heeft om te vragen of je gelukkig bent.”

Uit ‘Beamerlol’ van Philip Hoorne:

“We hadden die knop toch al geprobeerd? Inderdaad, al twintig keer. Maar God bestaat en

God is een lolbroek en niet zo van de moderne techniek, anders had hij die geboden wel gewoon in een Word-document gezet of op een videowall geprojecteerd in plaats van ze in steen te beitelen.”

Uit ‘Zelfportret met luchtfilter’ van Roel Vandenhoeck:

“Die vlotte kerel met getrimde baard en maatpak. Ja, dat had ik kunnen zijn… als ik op 22 april 2016 niet in de BMW van mijn baas gekotst had.”

Uit ‘De symptomen van het maatschappelijke virus’ van Shakila Nejad:

“Het was zo’n typisch huisartsbezoek: je komt er half mens, half hoop, in de naïeve veronderstelling dat iemand vandaag naar je gaat luisteren.”

Uit ‘Dramaqueen maakt carrièreswitch’ van Suzy Van Tricht:

“’Je gaat dat goed doen,’ zegt mijn man kalm. Waarop ik hem aankijk alsof hij net gezegd heeft dat ik morgen een vliegtuig moet landen. Solo.”

Uit ‘Weer zo eentje’ van Tim Cosemans:

“Ik kijk op mijn horloge. De zon is haar hoogste punt voorbij (…) Ik begeef me naar sectie B, rij vier, want dat staat in de afspraakbevestiging die de autokeuring me per mail heeft toegestuurd. De man die me naar de juiste poort moet sturen lijkt mentaal uitgeklokt, ook hij heeft zijn hoogste punt al achter zich.”

Uit ‘Zwitsal is een Roemeens woord’ van Tom Peeters:

“Godzijdank zijn de Oost-Europese werknemers er nog. Anders zouden ze ons op transportbanden leggen, onder stralen van te koud water en afwasborstels, om ons vervolgens van alle kanten machinaal droog te blazen. (…) Je hebt dan alleen nog maar iemand nodig om op het einde van de bejaarden-wash, het juiste gebit in de juiste oma of opa te frommelen.”

Soms is één mooie zin voldoende om een heel verhaal in je hoofd op te roepen. Of niet soms?

PS: De 15 mooiste openingszinnen uit twee literaire scheurkalenders

PPS: Lees dit boek als deze zin je triggert: “Hoe kunnen twee mensensoorten op gelijke voet samenleven, als de een de tovenaarsleerling heeft uitgehangen en voor de lol de ander heeft geschapen?”