Uitgelezen

Waarom de Beauvoir nog lezen?

Op 14 april is het precies vijfendertig jaar geleden dat Simone de Beauvoir (1908 – 1986) overleed. De Beauvoir was schrijfster, partner van Sartre en feministe. In die volgorde.

“Ik ontken het belang van het feminisme in mijn leven niet, maar vóór alles ben ik schrijfster,” drukte Simone de Beauvoir haar biografe Deirdre Bair begin jaren 80 op het hart. Het schrijverschap gaf de Beauvoir zelfbewustzijn. In 1938, toen ze nog les gaf, noteerde ze: “Dertig jaar oud, onzeker in mijn beroep.”

Net als Sartre geloofde de Beauvoir in Rodolphe Töppfers motto – ‘Wie niet beroemd is op zijn achtentwintigste, moet voor eeuwig van roem afzien’. Ze schreef haar eerste verhaal op haar zevende. Toen ze twintig jaar later nog niets gepubliceerd had, verweet ze zichzelf luiheid. Nochtans dankte ze haar bijnaam Castor, ‘de bever’, aan haar planmatige werklust. Aan de Sorbonne haalde ze haar ‘agrégation’ in de filosofie in drie in plaats van vier jaar. Daarna gaf ze les in – achtereenvolgens – Marseille, Rouen en Parijs. Ze onderwees met geestdrift maar zonder voorbereiding, vertrouwend op haar parate kennis. Haar energie besteedde ze aan lange wandeltochten, reizen, lezen en schrijven, vrienden en minnaars.

De belangrijkste van hen, Jean-Paul Sartre, moedigde de Beauvoirs literaire ambities aan. Zijn enthousiasme had een ongewenst effect. Als hij warm liep voor een plot, kreeg zij geen woord meer op papier. Rond haar vijfentwintigste werkte de Beauvoir twee jaar aan een boek over haar vroeg gestorven vriendin Zaza. Het resultaat viel tegen en ze herwerkte de roman tot een reeks kortverhalen, die ze in de winter van 1937 afrondde, toen een klaplong haar te bed hield.

Zowel Gallimard, de uitgeverij die in 1938 Sartres ‘Walging’ uitbracht, als Grasset wezen het manuscript af. De Beauvoir was teleurgesteld, maar zette haar tanden in een nieuw project. De roman ‘Uitgenodigd’, over een driehoeksverhouding in de Parijse  toneelwereld, baseerde ze op haar ménage à trois met Sartre en de zeventienjarige, Witrussische studente Olga Kosakiewicz. Het boek verscheen in 1943 en werd een literaire sensatie in bezet Parijs.

De Beauvoir kreeg na een klacht wegens ‘corruptie van minderjarigen’ haar ontslag als lerares. Op haar vijfendertigste werd ze fulltime schrijfster.

“Wat zou ik jaloers geweest zijn op de serieuze jonge vrouw die nu aan haar literaire carrière begon, als ze een andere naam had gehad dan de mijne”, klinkt het in de memoires. Haar naam won internationaal aan bekendheid. In het naoorlogse Europa was de populariteit van het existentialisme onbetwist. Boegbeelden van deze filosofie, met z’n klemtoon op vrijheid en verantwoordelijkheid, waren Sartre, auteur van ‘Het zijn en het niet’ en de Beauvoir, de gelijkgestemde filosofe die niet van zijn zijde week.

Filosofie en literatuur waren voor de Beauvoir instrumenten tot zelfanalyse. Tussen 1958 en 1972 schreef ze een vierdelige autobiografie, waarin ze openhartig – maar geflatteerd – vertelt over haar kinderjaren (‘Een welopgevoed meisje’), studententijd en relaties (‘De Bloei van het leven’). Ook haar romans wortelen in de werkelijkheid. ‘De Mandarijnen’, dat in 1955 de Prix Goncourt won, schetst een beeld van het naoorlogse Franse intellectuele klimaat. In het conflict van hoofdpersonages Robert Dubreuilh, voorstander van een ‘derde weg’ tussen amerikanisme en stalinisme, en Henri Perron, leider van een volstrekt onafhankelijk dagblad met verzetsgeschiedenis, hoorden tijdgenoten echo’s van het conflict Sartre-Camus. In een nevenintrige geeft de Beauvoir een gefictionaliseerd relaas van haar relatie met de Amerikaanse auteur Nelson Algren. Zelfs haar essayistisch werk was een zoektocht naar zelfkennis. Uitgangspunt voor ‘De Tweede Sekse’ (1949) was haar verwondering over de verschillen tussen haar leven en dat van seksegenoten.

De Beauvoir hield een dagboek bij en schreef honderden brieven. Postuum werd een groot deel daarvan gepubliceerd. Kan een schrijver teveel over zichzelf aan het papier toevertrouwen? In het geval van de Beauvoir ben je geneigd ja te antwoorden.

Ze schreef zoals ze – volgens haar vriendin Stépha Gerassi – praatte: “Altijd ik, ik, ik.”

La grande Sartreuse

Voor iemand die schreef om zichzelf te verklaren, had de Beauvoir het opvallend vaak over Jean-Paul Sartre. Daarom – en omdat ze later debuteerde, op filosofisch vlak minder creatief was en hem (op zijn verzoek) soms met strakke hand van de buitenwereld afschermde, noemden Franse journalisten haar ‘la grande Sartreuse’. De Beauvoir erkende in Sartre openlijk haar intellectuele meerdere, tot ergernis van vele feministen. Zij vermelden steevast dat hij in 1929 bij de ‘agrégation’ nipt meer punten behaalde, maar drie jaar ouder was en het examen voor de tweede keer aflegde.

Aan de Sorbonne begon de relatie Sartre-de Beauvoir, die uitgroeide tot één van de romantische mythes van de 20ste eeuw. In de zomer na hun ‘agrégation’, in de velden van Uzerche, veranderde hun studievriendschap in een seksuele relatie, die werd bezegeld met een mondeling contract. De hoeksteen daarvan was waarheid, niet hartstocht. Ze noemden hun liefde voor elkaar ‘essentieel’, maar stonden elkaar ‘contigente’ liefdesaffaires toe, zolang ze eerlijk bleven.

Uit hun brieven blijkt dat ze oprecht waren tegenover elkaar – meestal -, maar zelden tegen de jonge volgelingen waarmee ze zich in de jaren ’30 in de cafés van Parijs omringden. Ze doopten die groep ‘de Familie’ en hadden allebei een relatie met Bianca Bienenfeld, Nathalie Sorokine en Olga Kosakiewicz. Sartre sliep bovendien met Olga’s zus Wanda en de Beauvoir met Olga’s latere echtgenoot Jean-Laurent Bost. Leugens, jaloezie en intriges waren legio binnen de Familie.

De Beauvoir gaf haar lesbische relaties, die ze als Ersatz voor het echte werk beschouwde, publiekelijk niet toe. In brieven naar Sartre spaarde ze geen details. 

Na de oorlog sliep Sartre met talloze minnaressen, waarvan hij enkele tot zijn dood onderhield, maar niet meer met de Beauvoir. Hun relatie werd een intellectuele aangelegenheid. De Beauvoir was Sartres eerste lezer en criticus, zijn klankbord en redactrice. Ze investeerde tijd en energie in ‘Les Temps modernes’, het tijdschrift dat hij in 1945 stichtte. Als Sartre haar mening vroeg over een tekst, legde zij haar werk meteen opzij. Hij hield rekening met haar opmerkingen. Gelijkwaardigheid was – na vrijheid en eerlijkheid – een sleutelwoord in hun verhouding.

Zo zagen ze dat tenminste zelf. Nelson Algren, de Amerikaan die in 1947 een passionele verhouding begon met de Beauvoir, kon niet verdragen hoe zij zich schikte naar Sartres schema. Algren bedankte voor een plaats op de tweede bank en beëindigde in 1951 hun trans-Atlantische liefde. Verbitterd – ook om de manier waarop ze hem in haar memoires te kijk zette – omschreef hij de Beauvoirs pact met Sartre als “een al twintig jaar dode liefde die ze met alle geweld wilde opblazen tot een hartstocht van klassieke dimensies”.

In haar memoires en interviews gaf de Beauvoir een geïdealiseerd beeld van ‘het intellectuele paar’ of ‘schrijverskoppel’ dat ze met Sartre vormde. Ze minimaliseert de rol van Wanda Kosakiewicz, met wie Sartre tijdens de oorlog wilde trouwen en typeert haar als ‘de jeuk, maar zeker niet de doorn in mijn bestaan’. Ze beklemtoont haar – door Sartre formeel erkende – rol als eerste vertrouwelinge en vergoelijkt de momenten dat hij haar pijn deed. Toch waren die er zeker. In 1945 droeg Sartre het eerste nummer van ‘Les Temps modernes’, waaraan de Beauvoir hard had gewerkt, op aan zijn New Yorkse geliefde Dolores Vanetti. Twintig jaar later adopteerde hij Arlette Elkaïm, een verstandige, jonge joods-Algerijnse die zo erfgename werd van zijn literaire nalatenschap.

De Beauvoir trachtte Sartre in zijn denken te volgen en steunen, want hun gelijkgestemdheid was haar heilig. In de jaren 50 evolueerde hij van existentialistische filosoof naar linkse activist. De Beauvoir vergezelde hem op reizen naar China, de Sovjetunie en Cuba. Ze nam stelling in tegen de Franse regering tijdens de Algerijnse oorlog, zonder van nature veel politieke interesse te hebben. Na de studentenrevolutie van 1968 ontwikkelde Sartre richting maoïsme, terwijl de Beauvoirs feministische sympathieën groeiden.

Mentale afstand kwam er toch. Sartres filosofie en visie op literatuur veranderden voortdurend. De Beauvoir hield consequent vast aan zijn denkkader uit ‘Het zijn en het niet’ (1943). Dat leidde in de jaren 70 tot onenigheid met Sartres adoptiefdochter Arlette en zijn laatste secretaris, de radicale Benny Lévy. De Beavoir verweet die discipelen van de nieuwe Sartre dat ze een aftakelende, oude man manipuleerden. Sartre was tegen die tijd blind, depressief en incontinent, maar wees de Beauvoir terecht: “Ik kan nog steeds helder nadenken. U moet me toestaan daarmee door te gaan.”

Proto feministe

De Beauvoir kon moeiteloos toegeven dat Sartre van hen beiden het genie was, maar insinuaties dat zij hem meer nodig had dan omgekeerd, maakten haar razend. Ze zag zichzelf als auteur en helft van een legendarisch koppel, maar evengoed als onafhankelijke vrouw.

Als tiener kreeg de Beauvoir van haar verarmde vader te horen dat ze niet kon trouwen omdat ze geen bruidsschat had. Ze werd lerares om in haar eigen onderhoud te voorzien. In de jaren 30 en 40 leidde ze een voor Franse vrouwen onconventioneel leven. Ze was financieel onafhankelijk, woonde op hotelkamers, had minnaars, zat in cafés, reisde, schreef en deed wat ze wou. Met seksisme was ze nog nooit geconfronteerd.

Een collega lerares aan het lyceum van Rouen, Colette Audry, vertelde in 1933 dat ze een boek over haar ervaring als vrouw wilde schrijven. Dat leek de Beauvoir weinig opwindend. Dertien jaar later zou Sartre haar proberen te overtuigen dat zíj en niet Audry dat boek moest schrijven. Meer uit plichtsbesef dan uit enthousiasme beloofde ze het te overwegen.

In 1947, toen ze als existentialistische filosofe was uitgenodigd aan verschillende Amerikaanse universiteiten, gingen haar ogen open. De terughoudendheid van vrouwen in intellectuele discussies met mannen verbaasde haar. Ze bestookte haar nieuwe minnaar Nelson Algren met vragen over de dagelijkse levensomstandigheden van vrouwen in de VS.

Tegen de tijd dat Franse vrouwen stemrecht kregen, was ze terug in Parijs. In Sartres kielzog kwam ze eind jaren 40 in politieke milieus, waar ze voor het eerst vaststelde dat men haar niet ernstig nam. Haar ideeën voor een ‘essay over vrouwen’ groeiden.  

‘De Tweede Sekse’ (1949) werd een lijvig, tweedelig boek, dat ze in de Bibliothèque Nationale voorbereidde. Het eerste deel geeft een historisch overzicht van de situatie van de vrouw, met aandacht voor mythen over vrouwelijkheid. Het tweede deel behandelt de levensloop en seksualiteit van vrouwen op meer persoonlijke wijze. Hoofdstelling is dat de vrouw altijd in relatie tot de man wordt gezien, en zo wordt gereduceerd tot de inferieure, tweede sekse.

In Frankrijk verkocht het boek goed, ondanks felle kritiek op de Beauvoirs schrijfstijl, wetenschappelijke methodiek en gezichtspunt. Vrouwen verweten haar dat ze hen beschreef alsof ze zelf geen vrouw was. Ze ontving obscene brieven en werd openbaar beschimpt. De reacties op de Engelse vertaling in 1953 waren positiever. Amerikaanse critici beschouwden de Beauvoirs studie als baanbrekend. Hun Franse collega’s mopperden: ‘Jullie maakten van haar ons heilig monster.’

Het materiaal van ‘De Tweede Sekse’ was omvangrijk, maar liet zich makkelijk structureren. De Beauvoir werkte vier jaar aan het boek. Na afloop was ze opgelucht, maar niet herboren. Ze schreef ‘De Mandarijnen’ en haar autobiografie en begon een langdurige relatie met de zeventien jaar jongere journalist/cinéast Claude Lanzmann. Tijdens de jaren 50 werd ze op reizen met Sartre regelmatig aangesproken over vrouwenkwesties.

Actief in de vrouwenstrijd werd ze pas in 1970, toen een delegatie van de Mouvement de Libération des Femmes haar contacteerde.

De Beauvoir ontpopte zich tot pleitbezorgster van legale abortus. Hoewel ze nooit zwanger was geweest, tekende ze het ‘Manifest van de 343’, waarin Françaises als Catherine Deneuve en Simone Signoret abortus bekenden.

In ‘Les Temps modernes’ begon ze de column ‘Alledaags seksisme’. Ze gaf lezingen, schreef voorwoorden en zette zich in voor tehuizen voor mishandelde vrouwen.

Haar feministisch engagement was oprecht, maar bood ook welkome afleiding van Sartres aftakeling. Zijn jarenlange drank- en druggebruik eisten in de jaren 70 hun tol. De Beauvoir had van kinds af aan een diepe angst voor dood en pijn. Ze trachtte die te rationaliseren in het essay ‘Over Ouderdom’ (1970), maar deelde de zorg voor de zieke Sartre graag met Arlette, Wanda en Michelle Vian.

Na Sartres dood (1980) vreesden intimi dat de Beauvoir hem snel zou volgen. Haar –intussen voornamelijk ceremoniële – functie binnen het feminisme en vriendschap met adoptiefdochter Sylvie le Bon hielden haar nog zes jaar overeind, tot een longoedeem haar op 14 april 1986 velde. Ze ligt begraven op het kerkhof Montparnasse, naast Sartre. Een passage uit de memoires siert haar grafsteen: “Tussen twee personen is harmonie nooit een gegeven; ze moet voortdurend worden veroverd.”  

Het verzameld werk van de Beauvoir verscheen in het Nederlands bij uitgeverij Agathon.

Deirdre Bair, Simone de Beauvoir, Biografie. Vert. Christine Quint en Jabik Veenbaas. Anthos/Lannoo, 1990, 824 p.

Grondige, degelijke biografie, gebaseerd op gesprekken met de Beauvoir. Hier en daar achterhaald door postume onthullingen.

Hazel Rowley, Tête-à-tête. Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre, Portret van een relatie. Vert. Rob van Essen. Ambo/Manteau, 2006, 392 p.

Up-to-date relatieportret, zonder veel duiding bij werk en filosofie van beiden.

Dit artikel verscheen (veel) eerder in De Standaard der Letteren