Column

Column op woensdag: slagroom

Tijdens de zomer presenteert This Is How We Read elke woensdag een genomineerde tekst van onze columnwedstrijd 2025. Deze week drenkt Michiel een heftige uitslag in slagroom.

‘We kunnen u ook castreren’, zei de internist, als de clou van een mop. De mop was dat ik uitgezaaide prostaatkanker had. Ongeneeslijk. Hormoontherapie kon het vijandige testosteron, waarmee de kankertumor zich voedde, uit mijn lijf jagen. Zo konden ze me misschien iets langer in leven houden. En toen die clou. 

Ik vond het een slechte grap en hoorde daarna niets meer van wat hij zei. 

Ik dacht aan mijn moeder. Ik wilde haar bellen, maar ze was al 2 jaar dood. Blij dat ze dit niet hoefde mee te maken, wilde ik toch nog even dat jongetje zijn dat met zijn duim tussen de deur had gezeten en in haar schort onvoorwaardelijke troost vond. Het woord castreren had me weer even wakker geschud. Een woord dat alleen in sadistische verhalen voorkwam. Niet in de echte wereld. Zelfs toen onze kat gesteriliseerd was zeiden we dat hij ‘geholpen’ was. 

Ik sloot mijn ogen.
Ik stond op het schoolplein met Philip, mijn beste vriendje toen we een jaar of acht waren.
‘Weet jij hoe kamelen gecastreerd worden’, vroeg hij.
Ik wist het niet.
‘Met twee bakstenen’, zei hij, en sloeg twee denkbeeldige stenen tegen elkaar. ‘Bam’. 

‘Dus het is hormoontherapie of castreren, pap’, trok mijn zoon me bij de les. Het klonk alsof het ging om het vullen van een kies, of het trekken ervan. 

‘Mijn vader wordt dus niet beter?’, vroeg mijn dochter.

Ik vond haar een held.

‘Hij gaat naar verwachting niet binnen een jaar dood’, zei de internist, ‘anders zouden we hem niet behandelen’.

Er reed een ambulance voorbij.

Ik vond het tijd om ook iets te zeggen.

‘Nou, hormoontherapie dan.’

‘Castreren is eenmalig, hormoontherapie is voor de rest van uw leven,’ zei de internist.

Ik keek hem vragend aan en zei niets.

‘Ik zal een recept uitschrijven. De eerste dosis kunt u ophalen bij de apotheek. Ik ben te duur en mag die injectie van de verzekering dus niet geven. Dat mag uw huisarts doen.’

We gaven hem alle vier een hand alsof hij een huisvriend was.

In de lift naar beneden zwegen we. 

Vlak voor de deur van zijn kamer dicht was gevallen, had mijn zoon nog gevraagd of de internist kon inschatten hoelang zijn vader nog zou leven.

‘Ik geef nooit prognoses’, zei hij. 

De hal van het ziekenhuis was eindeloos. Omdat ik onderweg had geplast, moest ik op mijn gezin inlopen. De zwart-witte tegels maakten me duizelig. Ik dacht: mijn hele gezin heb ik in het ongeluk gestort; mijn vrouw en ik gaan na ons pensioen niet wonen op een oud sleepbootje; ik zal er niet zijn om haar te beschermen als ze oud is; mijn kleinkinderen zullen geen opa hebben.

Als een natte hond schudde ik mijn hoofd om mijn gedachten van me af te spetteren. 

Ter hoogte van het restaurant had ik ze ingehaald.

‘Koffie met appelgebak?’, vroeg ik.

‘Lekker lieverd’, zei mijn vrouw.

We gingen zitten aan een ronde tafel. Mijn vrouw legde de handen van mijn dochter en zoon op die van mij en haar eigen handen daaroverheen. 

Er liep een traan over de wang van mijn dochter.

‘Met slagroom?’, vroeg ik.


Michiel Pot schrijft al zijn hele leven en droomt ervan ooit een mooie roman te schrijven. Maar bij gebrek aan deadline begon hij steeds weer opnieuw. 

Sinds een jaar weet hij dat hij ongeneeslijk ziek is. Eindelijk heeft hij zijn deadline.