Column

Column op Woensdag: Fruitfobisch

BP6A2277a - kopie

Tijdens de zomervakantie presenteert This Is How We Read elke woensdag één van de genomineerden van onze columnwedstrijd 2016. Eind augustus bekronen we de eindwinnaar met vijf boeken en een spectaculaire cupcaketoren.

Vandaag ontdekt Tyche Tjebbes wat ze gemeen heeft met een enge man.

Al zolang ik me kan herinneren ben ik fruitfobisch, als in: bang voor fruit.

De geur, de pitjes, de fliebeltjes, de draadjes, het gelebber en gesmak van de verorberaar, het sap dat achterblijft op tafel. Ik vind het allemaal even vreselijk.

Ik heb er zelfs nachtmerries over. Dat ik me een weg moet banen door gepeld fruit. Maar dat kan er ook mee te maken hebben dat mijn vader vroeger wel eens sinaasappelschillen op de trap legde als hij niet wilde dat ik ‘s nachts steeds naar beneden kwam.

Op school had ik een dagtaak aan het fruit vermijden. Vooral de mandarijnentijd was een absolute hel. Elk lesuur moest ik, na het wisselen van lokaal, aan vele tafels ruiken om er een te vinden waarvan ik zeker wist dat die niet besmet was met sap, ongewenste geuren, of nog erger: kleine stukjes oranje schil. En dan kon het altijd nog gebeuren dat iemand tijdens de les – kennelijk is het eten van een mandarijn altijd en overal toegestaan – zo’n stinkbom tevoorschijn haalde en ik met stoel en schrift naar mijn andere buurman moest schuiven, zo ver als daar sociaal gezien ruimte voor was. Mijn gedrag wekte onbegrip en lacherigheid op. Nog steeds moet ik me altijd verantwoorden:

‘Lust je geen fruit?’

‘Nee.’

‘Ook geen banaan?’

‘Nee.’

‘Ook geen peer?’

‘Nee. Ik lust helemaal geen fruit.’

‘Dat kan ik echt niet begrijpen. Fruit is hartstikke lekker, ik ben dól op fruit. En er zijn toch heel veel soorten fruit. Lust je ook geen aardbei?’

‘Nee.’

‘Maar hoe blijf je dan gezond?’

Onbegrepen en opgejaagd. Totdat ik deze week – eindelijk – een lotgenoot tegenkwam.

Ik stond in de hoedanigheid van serveerster drankjes in te schenken in een comedyclub. Er trad een populaire Australische komiek op. De krappe kelder onder het Hilton Hotel Amsterdam, waar de comedyclub huist, was afgeladen. De sfeer gespannen. De grappenmaker zelf leek totaal niet onder de indruk en stond nonchalant op het podium. Leren jack, biertje in de ene, microfoon in de andere hand. Hij schold aan één stuk door en joeg met smakeloze grappen over verkrachting en mishandeling zijn testosteron de zaal door. Groepjes dronken mannen begonnen enthousiast te joelen, enkele vrouwen vonden het minder geslaagd, pakten hun spullen en liepen weg.

‘Ben je altijd zo stoer? vroeg ik hem na afloop, ‘of is er ook iets waar je bang voor bent?’

‘Ja, voor fruit,’ zei hij.

Ik ging een stukje dichter bij hem zitten om hem goed te kunnen horen.

‘Als iemand tijdens een optreden, achterin de zaal, een banaan gaat zitten eten, dan word ik helemaal gek. Ik droom daar zelfs over.’

Ik zei alleen maar: ‘Ik ken het,’ en voelde me even heel veilig bij deze gestoorde man.

Tyche Tjebbes is altijd op de vlucht voor administratie, weekboodschappen, etentjes met tafelschikking, rijke vrouwen met een atelier, bezwete mensen die naar voren buigen en mensen die op zoek zijn naar ‘een stukje communicatie.’ Ze studeerde filosofie en vond de opmerking ‘maar daar kun je toch niets mee worden’ altijd zeer geruststellend. Want hoe heerlijk is het om niets te worden? Dan kun je van alles zijn.

PS: Meer columns? Vorig jaar zocht Celine Rosseel een lief in de Biowinkel. En dit jaar diskwalificeerden we de man achter deze uitspraak: ‘Het is een wannabe punker die in een tattooshop als droedelblok heeft gefungeerd.’